“Alleen?” vroeg mijn zus. “Naar een klooster? Alleen?” Ze keek me aan alsof ik had gezegd dat ik naar de maan ging. In haar wereld — en eerlijk gezegd ook in de mijne, tot voor kort — was alleen-zijn iets dat je overkwam, niet iets dat je koos. Alleen zijn was eenzaam zijn, en eenzaam zijn was treurig.
Maar er is een verschil tussen eenzaamheid en alleen-zijn. Eenzaamheid is het verlangen naar verbinding wanneer die er niet is. Alleen-zijn is het bewust kiezen voor je eigen gezelschap. Het eerste is pijnlijk, het tweede kan een geschenk zijn — misschien wel het grootste geschenk dat je jezelf kunt geven.
Waarom het zo moeilijk is
We zijn als mensen niet gewend aan alleen-zijn. Ons hele leven is ingericht op gezelschap: we werken in teams, eten met anderen, wonen met anderen, ontspannen met anderen. Zelfs onze zogenaamde ‘me-time’ brengen we door in het gezelschap van Netflix, Instagram of een podcast. Echt alleen zijn — zonder input, zonder afleiding, zonder de geruststelling van andermans aanwezigheid — is voor veel mensen doodeng.
En dat is precies waarom het zo waardevol is. Want in die angst voor alleen-zijn zit een vraag die we liever niet stellen: wie ben ik als niemand kijkt? Als er geen publiek is, geen verwachtingen, geen rol die ik speel — wie ben ik dan? Een soloretraite in een klooster is een plek waar die vraag veilig gesteld kan worden.
Het klooster als veilige cocon
Wat een klooster bijzonder maakt voor een soloretraite, is dat je alleen bent maar niet geïsoleerd. Om je heen is een gemeenschap die leeft, bidt en werkt. Je hoeft er niet aan deel te nemen, maar je kunt het wel. De getijdengebeden structureren je dag zonder dat iemand iets van je verwacht. De maaltijden worden geserveerd zonder dat je hoeft te koken of te kiezen. Het enige dat van je wordt gevraagd is: er zijn.
Die combinatie van alleen-zijn en geborgenheid is zeldzaam. In een hotel ben je ook alleen, maar je voelt je anoniem. Thuis ben je ook alleen, maar je wordt omringd door verplichtingen. In een klooster is er een derde weg: je bent alleen, maar je bent gewenst. Je bent een gast, en gastvrijheid is in het kloosterleven een heilige plicht.
Wat er gebeurt na twee dagen
De eerste dag van een soloretraite is onrustig. Je weet niet goed wat je met jezelf aan moet. Je wandelt, je leest, je probeert te mediteren, je staart uit het raam. Er komen gedachten op die je liever niet had: onafgemaakte zaken, oude pijn, toekomstangsten. Dat is normaal. Het is het geluid van een brein dat gewend is aan constante input en opeens in de stilte wordt achtergelaten.
Op de tweede dag verandert er iets. De gedachten worden stiller. De onrust neemt af. Er komt ruimte. En in die ruimte ontstaan soms inzichten die je thuis nooit had gehad — niet omdat ze nieuw zijn, maar omdat je ze eindelijk kunt horen. Het is alsof je een kamer binnenstapte die er altijd al was, maar waarvan de deur altijd dicht zat.
Sommige mensen huilen op hun soloretraite. Niet van verdriet, maar van opluchting. Van het gevoel eindelijk ergens te mogen zijn waar ze niets hoeven te presteren. Waar hun enige taak is om zichzelf te zijn — en te ontdekken dat dat genoeg is.
Het geschenk
Na een soloretraite ga je anders naar huis dan je kwam. Niet als een ander mens — dat zou te veel beloven — maar als een meer compleet mens. Je hebt een deel van jezelf ontmoet dat normaal wordt overstemd. En je weet nu dat dat deel er is, ook als je weer thuis bent, ook als de drukte terugkeert.
Alleen naar een klooster gaan is niet moedig. Het is niet zwaar. Het is niet eenzaam. Het is gewoon een keuze — de keuze om jezelf serieus genoeg te nemen om een paar dagen met jezelf door te brengen. Op onze locatiepagina vind je kloosters die eenpersoonskamers aanbieden voor individuele gasten. Ga. Je bent er klaar voor.
Maak ook thuis een plek voor jezelf. Een abdijkaars of wat wierook helpt om een moment van stilte te scheppen.


